College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden

Criteria voor buitengebruik rodenticiden

Biociden die tegen ratten buiten gebruikt worden brengen grote risico’s voor het milieu met zich mee.

Het Ctgb heeft daarom besloten dat deze middelen (de anticoagulantia) alleen buiten gebruikt mogen worden indien dit gebeurt door een goed opgeleide professionele gebruiker die werkt volgens de principes van geïntegreerde plaagdier bestrijding (IPM).

Die professionele gebruikers moeten gedegen kennis hebben van IPM en dat ook toepassen. Dat betekent dat in de bestrijding van ratten buiten eerst weringmaatregelen genomen moeten worden. Vervolgens moet in geval van een plaag eerst met vallen, klemmen en andere non-tox methoden gewerkt worden. Alleen als deze maatregelen onvoldoende resultaat opleveren mogen, als laatste stap in de bestrijding, anticoagulantia ingezet worden.

Met deze werkwijze kunnen het gebruik van anticoagulantia en daarmee de milieurisico’s zoveel mogelijk beperkt worden.

Een goede kennis over rattenbestrijding en het alleen in allerlaatste instantie inzetten van anticoagulantia wordt geborgd door certificering van de bedrijven die ratten buiten willen bestrijden en door de werkwijze voor het bestrijden van ratten buiten te beschrijven in een protocol IPM-buitengebruik.

Biociden voor de bestrijding van ratten buiten mogen alleen gebruikt worden door professionele plaagdierbestrijders die werken volgens zo’n protocol.
Het Ctgb heeft de volgende eisen opgesteld waaraan een dergelijk protocol moet voldoen.
 

Criteria voor protocol voor bestrijding van ratten buiten
De criteria zijn ondergebracht in twee categorieën:

  1. algemene criteria
  2. criteria voor de bestrijder in het veld

I. Algemene criteria voor IPM- buitengebruik en certificering:

  1. Er is een protocol IPM buitengebruik nodig om de inzet van anticoagulantia te minimaliseren omdat het hier PBT stoffen betreft en er een hoog potentieel risico is voor doorvergiftiging naar roofdieren en roofvogels.
  2. De deskundigheid van de bestrijder moet het uitgangspunt zijn voor het protocol. Aanvullende eisen voor beperking van het buitengebruik mogen niet zo limiterend zijn dat de effectiviteit van de bestrijding (vastgelegd in een plan van aanpak) ernstig wordt aangetast.
  3. De opgelegde restricties aan de professionele bestrijders zijn handhaafbaar
  4. Om de effectiviteit van een curatieve inzet van anticoagulantia grotendeels gebaseerd is op de deskundigheid van de bestrijder, is het noodzakelijk dat de inzet van anticoagulantia en de onderbouwing hiervan op essentiële punten door de inspectiediensten kan worden gehandhaafd. Verdere details hoe dit kan worden gerealiseerd zijn opgenomen bij de uitgangscriteria voor het protocol van de professionele bestrijder

  5. Er dient een gedegen opleiding te zijn op het punt van minimalisering van buitengebruik voor alle plaagdierbestrijders eventueel gekoppeld aan mentorschap/meelopen door experts bij bestrijders. De exameneisen dienen zodanig te zijn dat toetsbaar is dat de plaagdierbestrijder volledig op de hoogte is van de werkwijze die onder het IPM-protocol buitengebruik gevolgd moet worden.
  6. De branche en de opleidingcentra zullen in gezamenlijk overleg een opleidingsmodule maken voor het opleiden en examineren van de professionele bestrijder in buitengebruik van rodenticiden volgens het IPM protocol.

  7. Samenwerking opdrachtgever en professionele bestrijder
  8. Voor het effectief inzetten van niet-chemische methodieken is het essentieel dat de plaagdierbestrijder intensief samenwerkt met de opdrachtgever, omdat niet-chemische middelen vaak arbeidsintensiever zijn. Aangezien de bestrijder zich zal moeten verantwoorden en registeren waarom niet-chemisch methodieken niet zijn ingezet, zal hij heldere afspraken moeten aangaan met de opdrachtgever.

    II. Criteria voor de professionele bestrijder in het veld

  9. De inzet van chemische middelen mag nooit preventief noch continue zijn, maar mag uitsluitend plaatsvinden tijdens een bestrijdingsacties bij verhoogde plaagdruk (curatieve inzet). In het ‘bestrijdingsplan wordt per locatie aangegeven wat wordt verstaan onder ‘verhoogde plaagdruk’.
  10. De inzet van anticoagulantia is alleen toegestaan als het niet mogelijk blijkt om met niet chemische methodieken de ‘verhoogde plaagdruk’ weg te nemen.
  11. De inzet van anticoagulantia is nooit in open veld. Indien buitengebruik noodzakelijk is worden anticoagulantia slechts toegepast in en rondom gebouwen of voedselopslagplaatsen
  12. Er is een bronmatige aanpak van bestrijding. Indien de bron van de plaag buiten het terrein ligt, en deze niet rechtstreeks kan worden aangepakt dienen er aanvullende maatregelen worden getroffen in de vorm van overleg en afspraken met buren, gemeente en inspectiediensten. Er mag geen langdurige bestrijding met anticoagulantia plaatsvinden omdat de bron niet kan worden aangepakt.

  13. Hierbij valt te denken aan gebieden waar een hogere plaagdruk regelmatig voorkomt, zoals haventerreinen en afvalverwerkingsbedrijven. Daarnaast kan ook worden gedacht aan woongebieden waar overmatig vogels worden gevoerd of afval/ etensresten worden gedumpt (stedelijke gebieden) of nabijgelegen hobbyboeren die geen maatregelen treffen. Hierbij is identificatie en registratie van brongebieden noodzakelijk en een regionale samenwerking wenselijk om de inzet van anticoagulantia te minimaliseren en waar ook andere partijen hun verantwoording dienen te nemen.

  14. Er moet een goede diagnostische toolbox en indien mogelijk een beslisboom zijn voor de professionele bestrijder waarmee deze bepaalt of inzet van anticoagulantia buiten echt noodzakelijk is. De criteria wanneer overgegaan kan worden op het gebruik van anticoagulantia dienen helder en verifieerbaar te zijn.
  15. Het bestrijdingsplan bevat een risico inventarisatie. Er dient bij de risico inventarisatie en bij de monitoring, specifieke aandacht te worden besteed aan risico’s voor mensen, huisdieren, vee en wilde dieren. Bijzondere aandacht dient daarbij uit te gaan naar het risico op primaire en secundaire doorvergiftiging van niet-doelwit soorten. Hierbij kan gedacht worden aan inventarisatie van de soorten en aantallen niet-doelwit soorten in de directe omgeving en het risico op (door)vergiftiging bij deze soorten. Ook het voorkomen verspilling naar milieu en opruimen van resten verdient extra aandacht, inclusief het opruimen van rattenkeutels en kadavers.
  16. De keuze van de inzet van anticoagulantia dient te worden onderbouwd en geregistreerd (in het bestrijdingsplan) op basis van de diagnostische toolbox.
  17. Bestrijdingsacties worden door de bestrijder in het bestrijdingsplan genoteerd en de resultaten van elke bestrijdingsactie worden geëvalueerd zodat er lering getrokken wordt uit succesvolle en niet succesvolle bestrijdingsacties.
  18. Preventieve maatregelen tussen curatieve periodes worden door de bestrijder in het bestrijdingsplan genoteerd en de resultaten worden geëvalueerd zodat er lering getrokken wordt uit succesvolle en niet succesvolle maatregelen. Indien preventieve maatregelen niet (meer) voldoende blijken worden deze waar mogelijk aangevuld.
  19. Het uitwisselen van vakkennis tussen professionele bestrijders wordt gefaciliteerd door de branche organisaties of opleidingsinstituten. Relevante resultaten hiervan worden teruggekoppeld aan de inspectiediensten en Ctgb.
  20. Samenwerking tussen opdrachtgever en professionele bestrijder om niet-chemische alternatieven uit te voeren. De bestrijder en de opdrachtgever hebben overleg om de nieuwe eisen aan buitengebruik helder te maken en daar waar nodig bestrijdingsplannen en contracten aan de nieuwe situatie aan te passen.
  21. Informatie over verminderde werking en mogelijke resistentie in ratten en muizen tegen anticoagulantia wordt door de bestrijder verzameld en doorgegeven.