College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden

Hoe ziet een werkdag bij het Ctgb eruit?

“Ik heb geen typische werkdag”, vertelt Marloes, wetenschappelijk beoordelaar humane toxicologie.
“Buitenstaanders denken vaak dat wij hier de hele dag achter de computer zitten en studies beoordelen. Voor een deel is dat zo, maar iedere studie is eigenlijk anders, soms is het eenvoudig, soms heel complex. Ik heb ook veel overleg en ben regelmatig in het buitenland. Vorige week zat ik nog in Parma bij de EFSA (European Food Safety Authority). Daar ben ik twee of drie keer per jaar meerdere dagen. Dat maakt het afwisselend. Zo zit ik soms ook bij vergaderingen van de Europese Commissie in Brussel, en minstens een keer per jaar bij een werkgroep van de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling), meestal in Parijs.”

“Wij zijn echt onafhankelijk. Wij laten onze oren niet hangen naar de industrie. Wij zijn gebonden aan de wet, die moeten we handhaven. Inhoudelijk trekt het me dat je echt de toxicologie in kan duiken. Bij gewasbescherming moet een heel groot dossier worden aangeleverd. In principe kijken we naar alles. Wat voor een beeld krijg je als je verschillende onderzoeken naar een stof naast elkaar zet? Wat doet zo’n stof? We kijken naar een grote dosering, een kleine dosering … we onderzoeken of het kankerverwekkend is, heeft het invloed op de voortplanting of ongeboren kind? Is het schadelijk voor het zenuwstelsel of de hersenen? Bij onverklaarbare dingen kunnen we altijd om meer data vragen, maar we gaan ook niet eindeloos graven, we vragen ons steeds af wat nodig is om te weten om een stof te kunnen toelaten. Je kunt wel altijd met een collega overleggen en een oordeel vragen, maar je treedt zelfstandig op als expert in overleg met een aanvrager. Daarvoor zitten voldoende controlestappen in het proces.”

“Geen dag is hier hetzelfde”

“Geen dag is hier hetzelfde”, vindt Nico, specialist biologische middelen.

“Milieubelangen zijn een heel leuk spanningsveld tussen de effecten op het milieu en de fabrikant van een middel. Ik kijk dan naar de concentraties in het water, de bodem, de lucht, het grondwater, en reken van allerlei stoffen de milieu-concentraties uit. De grondwaterconcentratie van zo’n stof mag wettelijk bijvoorbeeld niet meer dan 0,1 microgram per liter grondwater zijn.”
“Ik kijk ook naar de vervluchtiging van de stof, wat neemt de lucht mee? Hoe ver verspreidt de stof zich? Als je ziet dat de dampspanning – hoe gemakkelijk de stof vervliegt – tegen de grens aan zit, leg je samen met collega’s uit verschillende landen allerlei onderzoek naast elkaar. Als een toegelaten stof opnieuw bekeken moet worden, en de stof is al heel lang gebruikt, dan moet je die dus overal terug kunnen vinden. Als dat niet zo blijkt te zijn, dan blijft die stof kennelijk niet achter in het milieu.”
“Ik heb voor mijn werk veel overleg, intern en extern. Als een fabrikant vragen heeft bij zijn dossier, zit je met vier, vijf of zes experts van de aanvrager aan tafel en praat je daarover, dat vind ik heel interessant. Nu moeten wij bijvoorbeeld voor een stof de beoordeling doen voor toelating op de Europese markt. Wij maken een dossier en dat sturen we op en we krijgen daarop commentaar uit allerlei landen. Dat bespreken we dan in bijvoorbeeld Parma bij de EFSA. En zo ga ik binnen-kort ook naar Brussel voor overleg over biopesticiden. Juist de mix tussen het wetenschappelijke werk achter mijn bureau en dat sparren met andere experts houdt het voor mij heel boeiend.”